Op naar de top

“The gradient up to now has been steep, but this last scree slope takes the biscuit; in fact, it takes the entire tin. (…) the cold insinuates itself between the layers of your clothes, penetrating your skin, chilling your bones and numbing the marrow until finally, inevitably, it seems to freeze your very soul.” 

Henry Stedman (2014). Kilimanjaro – The trekking guide to Africa’s highest mountain, p. 284

 

Als je de bovenstaande woorden tegenkomt in een reisgids, weet je dat je je zorgen moet gaan maken. Zeker als de schrijver het een paar alinea’s eerder nog had over hoe leuk en gemakkelijk de tocht tot nu toe geweest was. Voor mij ging dat wel op – de andere dames uit mijn groep hebben het de afgelopen dagen geenszins gemakkelijk gehad. Na het lezen van de passage in mijn reisgids, weigerden ze het boek dan ook nog langer aan te raken.

 

“Summit night”: de afgelopen dagen hebben we daarnaartoe gewerkt. Alle dure spullen die we bij ons hebben – donsjacks, met fleece gevoerde wandelbroeken, de dikste sokken die Bever verkoopt – zijn uitsluitend bedoeld voor deze nacht.

Waarom ‘s nachts? Waarom ga je in vredesnaam opstaan op het moment dat normale mensen naar bed gaan, op een moment dat je nog geen fatsoenlijk ontbijt naar binnen kan werken? Waarom kies je het koudste deel van een etmaal uit om het koudste deel van een berg te bewandelen? Waarom baan je je in het stikdonker een weg naar boven, terwijl het meer dan 12 uur per dag gewoon licht is? Waarom?

Het antwoord daarop is tweeledig. De belangrijkste reden is dat je de tijd gewoon nodig hebt. Het is ongeveer 7 uur lopen van Barafu Camp, waar onze tenten staan, naar Uhuru Peak (de top) – als je lichaam meewerkt. Dezelfde weg weer naar beneden leg je in een uur of 3 af. Maar in Barafu Camp kunnen we niet nog een nacht blijven: de gemiddelde wandelaar is na 5 à 6 dagen nog niet voldoende geacclimatiseerd om zonder problemen nog een nacht op 4.600 meter hoogte te verblijven. We moeten dus verder afdalen, naar Mweka Camp op 3.100 meter hoogte. Ook dat kost gemakkelijk een uur of 5. Als we dan nog meerekenen dat we waarschijnlijk regelmatig pauzes nodig hebben en ook nog ergens een keer (of twee) willen eten, dan moeten we echt om middernacht vertrekken om dezelfde dag nog voor het donker op onze eindbestemming te zijn.

De tweede reden is dat het gewoonweg fenomenaal is om de zon te zien opgaan vanaf de kraterrand van de Kilimanjaro.

 

We zijn om half zeven naar bed gegaan, maar de slaap wilde (bijna vanzelfsprekend) niet echt komen. Geslapen heb ik wel, want ik had een dusdanig vreemde droom dat ik opgelucht was dat ik wakker werd en me nog op de hellingen van de Kilimanjaro bevond, maar langer dan een uur zal het niet geweest zijn. Om 23.00 uur trok ik al mijn kleding aan: 7 lagen op het bovenlichaam, 4 lagen op het onderlichaam, 2 paar sokken, een muts en 2 capuchons, handschoenen en wanten, een sjaal, wandelschoenen en gamaschen. En de hoofdlamp niet te vergeten. Om middernacht, na wat peptalk en een groepsknuffel voor extra energie, zetten wij ons in beweging naar boven.

Gistermiddag was het prettig dat onze tenten zich in het onderste deel van het kamp bevinden – nu is het een nadeel. Het eerste kwartier zijn we bezig met het doorkruisen van Barafu Camp. We zien ook andere lichtjes verschijnen, van andere trekkers, maar de meeste lampjes schijnen al boven ons: veel mensen zijn al op weg. Het pad loopt gestaag naar boven, vlakt wat af, en we lopen door Kosovo Camp (een kamp dat net als Barafu wordt gebruikt als basiskamp, maar veel minder – de reden daarvan is mij niet bekend). Daarna laten we de “bewoonde” wereld echt achter ons en we lopen achter de andere lichtjes aan.

 

De weg naar boven is meedogenloos: geen moment gunt het je de rust van even vlak lopen. Elke stap is hoger dan de vorige, en bij elke stap kost het je lichaam meer moeite om zuurstof binnen te krijgen. Hoewel het volle maan is, is deze niet te zien: alleen de sterren en de hoofdlampen verlichten het pad. Met enige regelmaat zien we een trekker, onder begeleiding van een gids, naar beneden strompelen – die persoon geeft op, trekt het fysiek of mentaal niet meer. De slang van mijn waterzak bevriest, waardoor ik niet meer kan drinken tijdens het lopen. Ik heb nog wel een thermosfles in mijn tas zitten, maar als ik daaruit wil drinken, dan moet ik stoppen, mijn tas van mijn rug halen, mijn wanten uitdoen en de fles openschroeven. Te veel moeite. Ik moet mij inhouden om niet steeds op mijn horloge te kijken, maar wel werp ik regelmatig een blik naar het oosten, op de contouren van Mawenzi, de andere top van de Kilimanjaro, in de hoop dat het daar een beetje rood begint te worden. Maar nee. Uren achtereen zet ik de ene voet voor de andere. Ik voel me een beetje duizelig en probeer lopend een reep (bevroren) chocolade naar binnen te werken. Ieder uur stoppen we even om te drinken, maar ook omdat er ieder uur iemand is die het even niet meer trekt. Een van de vrouwen valt voorover en staat erop dat wij haar laten liggen, zodat ze even kan slapen. De gidsen staan erop dat ze opstaat en doorloopt. Het woord van de gidsen is wet.

In mijn hoofd herhaal ik verschillende mantra’s, elke stap een woord, elk woord een stap. “Pole pole” (langzaam) is prettig, daar hoef ik niet te veel over na te denken. Ik zie op tegen het laatste stukje naar Stella Point, de kraterrand, want dat is volgens mijn reisgids het ergste. Aan de andere kant kan ik niet wachten tot het zover is, want dan zijn we er tenminste bijna. De gids zegt dat het nog anderhalf uur is naar de rand van de krater, maar het is inmiddels al ruim na vijven en de oostelijke horizon lijkt echt een beetje lichter te worden! Het kan toch niet nog zo ver zijn? De gids blijkt zich te vergissen, want even later, op het moment dat het rode aan de horizon onmiskenbaar is en het pad door meer verlicht wordt dan alleen onze hoofdlampen, wijst een van de andere gidsen naar een punt boven ons en zegt: “Daar, waar die mensen staan, is Stella Point.” Eindelijk!

“Als we daar zijn,” zeg ik, “dan zitten we hoger dan Elbrus, de hoogste berg van Europa.”

“Dat zijn nou nog eens motiverende woorden!” hoor ik.

 

Wanneer we de kraterrand bereiken – de reisgids heeft overigens gelogen: dat laatste stukje was echt het ergste niet – komt de zon boven de horizon piepen. We zijn euforisch: het zwaarste stuk hebben we gehad – en nu we op Stella Point zijn, krijgen we in ieder geval allemaal een certificaat dat we de kraterrand gehaald hebben. Het lijkt alsof we de top al gehaald hebben: blije mensen, een mooie zonsopkomst, foto’s met het naambordje om onze prestatie vast te leggen – maar we moeten nog bijna een uur over de kraterrand lopen, en nog ongeveer 200 meter stijgen, voordat we daadwerkelijk op de top zijn.

 

Maar nu is alles mooier, want de zon is er, onze bron van licht en warmte. Het pad gaat iets minder steil omhoog (hoewel we nog steeds langzaam en voetje voor voetje moeten lopen) en de mensen die we nu zien terugkomen, zijn geen afvallers, geen opgevers, maar mensen die al op de top zijn geweest. Mensen met een grote glimlach, die ons succes wensen en ons vertellen dat het echt nog maar een kwartiertje lopen is. En even na zevenen, nadat we langs de zoveelste rotspunt geploeterd zijn, zien we in de verte het bord staan. We weten dat daar “Uhuru Peak” op staat. Het hoogste punt van Afrika. ‘s Werelds hoogste vrijstaande berg. Een van de grootste vulkanen ter wereld.

 

We zijn er.

 

Nu moeten we alleen nog terug.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *