De halve marathon van Spitsbergen

Donderdag 30 mei, kwart voor drie ‘s ochtends. Als een kind naar zijn verjaardag, zo keek ik uit naar deze dag. Al maanden verheugde ik me erop, al dagen praatte ik nergens anders over. De regelmatige mailtjes van de reisorganisatie en de whatsappgroep met de andere hardlopers maakten de voorpret alleen nog maar leuker.

Vier dagen naar Spitsbergen. Waar anderen hun Hemelvaartsweekend op de camping in Luxemburg doorbrengen, in een huisje in Duitsland of gewoon thuis, ga ik een halve marathon lopen aan het einde van de wereld. Bijna dan. 78° noorderbreedte, ongeveer 1300 km van de Noordpool. Zo ver noordelijk ben ik nog nooit geweest.

De vier dagen worden optimaal benut. Dat betekent vroeg opstaan nu. Arctic Marathon, de reisorganisatie waar ik deze droomreis geboekt heb, heeft een rechtstreekse vlucht naar Longyearbyen gecharterd, om 7 uur ‘s ochtends. Dat betekent om 5 uur inchecken. En dat is de reden dat ik om half 4 ‘s ochtends bij een onbekende man in de auto stap, een andere loper uit Den Haag die ik via whatsapp heb leren kennen.

Op weg naar Spitsbergen

Iets na zevenen verlaten we een regenachtig Nederland. Tijd voor een (tweede) ontbijtje en een poging om nog wat te slapen. Dat mislukt, ik ben veel te enthousiast voor wat er komen gaat. Rond 11 uur wordt de landing ingezet. Het is helder weer, dus we kunnen vanuit de lucht al onze eerste blik op Spitsbergen werpen. Sneeuw en bergen. Wit, geen teken van leven. Ik maak de eerste foto’s en ik kan nauwelijks geloven dat ik hier ben.
Touchdown. De luchthaven van Longyearbyen is nauwelijks het beschrijven waard. Natuurlijk staat er een opgezette ijsbeer in de aankomsthal.

We droppen snel onze spullen in het hotel, inchecken komt later. Ik trek een extra trui uit mijn tas. Eerst lunch. Bij de sandwiches in restaurant Stationen bespreken we de dagen die voor ons liggen, en hoe iedereen hier terecht is gekomen.
Floortje Dessing wordt vaak genoemd. Ook voor mij zijn haar afleveringen van 3 Op Reis, van inmiddels ongeveer 10 jaar geleden, de reden geweest om Spitsbergen op mijn wensenlijst te zetten. Jarenlang heb ik het afgeschreven als een onhaalbare droom, net als Antarctica te duur om echt te kunnen realiseren. Vorig jaar zag ik de advertenties van Arctic Marathon voor het eerst op Facebook, maar ik kampte toen met een blessure en was bovendien aan het trainen voor de marathon van Rotterdam. Om er dan nog zo’n evenement achteraan te plannen, dat was wat te veel van het goede. Maar in de zomer sprak ik een meisje dat wel mee was geweest naar Spitsbergen in 2018. Haar verhalen en foto’s, en de rapportage van haar neef in Runner’s World, waren de zetjes die ik nodig had om zelf te boeken.

De wereldstad Longyearbyen

De middag gaat voorbij met het verkennen van Longyearbyen. Het is de enige plek hier waar je zelfstandig ongewapend rond mag lopen. Buiten de stadsgrenzen van Longyearbyen – die niet heel ver weg liggen, want deze hoofdstad is met 2000 inwoners niet bepaald groot – kunnen ijsberen rondlopen. Die jagen op mensen als ze de kans krijgen, dus buiten de stad mag je alleen onder gewapende begeleiding komen. Tenzij je zelf een geweer hebt en kunt schieten natuurlijk.
Tijdens het lopen vraag ik me af of ik hier zou kunnen wonen. Natuurlijk, de omgeving is prachtig, maar je zit verder overal ver vandaan – het vasteland van Noorwegen is meer dan 800 km weg – en de stad Longyearbyen ziet er nogal troosteloos uit. In de zomer zijn de dagen lang – de zon gaat tussen half april en eind augustus niet onder. Daar staat tegenover dat de zon in de winter maandenlang niet opkomt. De meesten van ons zouden hier niet gelukkig worden. Ik denk dat het mij nog wel zou lukken, mits ik een baan en misschien een partner had. Er zijn een paar winkels, er is een sporthal en een zwembad, de omgeving is grandioos… en in de winter is er genoeg tijd om met een boek op de bank te zitten. Nu alleen nog leren schieten.

We sluiten de dag af met een sterrendiner. Ik weet niet zeker of restaurant Huset inderdaad een Michelinster heeft, maar zo niet, dan zit het er in ieder geval dichtbij. We worden verrast met 7 gangen aan lokale gerechten. (Lokaal… de vis en het rendier geloof ik nog wel, maar waar hebben ze de groenten vandaan? Er groeit hier nauwelijks iets.) Voor de liefhebbers worden er wijnen bij geschonken uit de indrukwekkende wijnkelder. Van 15.000 euro per fles liggen de restauranthouders hier niet wakker, maar ik betwijfel of dat de wijnen zijn die vanavond op tafel komen.
De vermoeidheid begint toe te slaan. Het duurt lang voordat iedere volgende gang op tafel komt en ook mijn tafelgenoten worden stiller. Buiten blijft het licht, en zelfs wanneer we na middernacht het restaurant verlaten, lijkt het nog dag. Ik ben hondsmoe, maar mijn hoofd wil niet geloven dat het allang bedtijd is, want het is nog niet donker. Gelukkig heeft mijn hotelkamer verduisterende gordijnen. Wanneer ik die gesloten heb en in bed kruip, val ik meteen in slaap.

Een alternatieve excursie

Vrijdag 31 mei. Een ontbijtbuffet in een viersterrenhotel – ik was een van de geluksvogels die een upgrade had, omdat het hotel dat ik gereserveerd had overboekt was – daar zet je je wekker voor natuurlijk. Dat betekent vóór 10 uur opstaan. Maar dan heb je ook wat: hard- en zachtgekookte eieren, omeletten, gemarineerde zalm, brood, kaas, vlees, yoghurt, fruit. Genoeg om de eerste helft van de dag op vooruit te kunnen.

Vandaag staat er een excursie naar Pyramiden op het programma. Pyramiden is een vrijwel verlaten Russisch mijnwerkersdorp, een stukje ten noorden van Longyearbyen. Het schijnt dat je terug in de tijd gaat als je daar naartoe gaat: in Pyramiden leeft men nog in het Sovjettijdperk en functioneert het communisme nog zoals het ooit bedoeld was.
Dat is wat ik erover gehoord heb, maar ik ga er niet achter komen of het echt zo is. We kunnen namelijk niet naar Pyramiden: het waait te hard en de haven van Pyramiden is door ijs niet bereikbaar. In plaats daarvan gaan we naar Barentszburg. Ook een nederzetting, ook Russisch, maar wat groter en 55 km ten westen van Longyearbyen.
Barentszburg bereik je per boot in ongeveer twee uur. Al kort na vertrek is bijna iedereen op het dek te vinden; dat is nu eenmaal de beste manier om de landschappen om ons heen te bewonderen. We komen wat verlaten nederzettingen tegen en uiteindelijk komt Barentszburg zelf in beeld: een wat groter dorp met ongeveer 300 inwoners en een nog operationele steenkoolmijn. Uiteraard vernoemd naar de Nederlandse ontdekkingsreiziger Willem Barentsz, de ontdekker en naamgever van Spitsbergen in 1596.
Eenmaal aan land mogen we kiezen: een trap van een paar honderd treden beklimmen of met de bus naar het dorp gebracht worden. Hoewel we morgen (vrijwel) allemaal een flinke hardloopwedstrijd voor de boeg hebben, kiezen de meesten ervoor om te lopen. Langs vervallen gebouwen met gloednieuwe daken, langs een uitkijkpunt met industriële bankjes, tot we het aftandse gele busje zonder kenteken weer in beeld krijgen.

Onze Russische gids is een enthousiaste verteller. Bij haar verhaal over de naam Spitsbergen (“Spitsbergen is Nederlands voor “pointy mountains””) worden er wat blikken gewisseld. Ze voert ons langs alle bezienswaardigheden van Barentszburg.
Het souvenirwinkeltje – met matroesjka’s – waar je gelukkig gewoon met Noorse kronen kunt betalen, want ik heb geen roebels.
Een traditionele Russische supermarkt, waar je je spullen moet bestellen bij een winkelbediende die geen Engels spreekt.
Een buurthuis en een paar flatgebouwen (“wolkenkrabbers”) in sovjetbouwstijl.
Een kapelletje ter nagedachtenis aan de slachtoffers van een vliegtuigramp in 1996.
De zingende hond Hassan – een paar groepsgenoten vonden zijn geblaf wel lijken op de gebedsoproep van een moskee.
Een brouwerij, ook al is alcohol hier streng gerantsoeneerd om alcoholisme te voorkomen.
Een borstbeeld van Lenin. Onze gids weet ons te vertellen dat het serveren van gratis maaltijden – een gewoonte eigen aan het communisme – in Barentszburg doorging tot in 2001: 10 jaar na het afschaffen van het communisme en de val van de Sovjet-Unie. En dat veel inwoners van het dorp terugverlangen naar de tijd van het communisme. Ik vraag me af of het in een dorp als dit veel verschil zal maken.

De terugweg gaat een stuk sneller en is veel ruiger dan de heenweg. Ik waag me weer even op het dek, maar ik moet me met beide handen vasthouden om overeind te blijven. Ik blijf staan tot ik verkleumd ben en haal daarna benedendeks een kop thee. Zittend op een van de voorste banken kan ik mijn ogen niet meer openhouden.

Pasta party

Het is onder hardlopers een soort traditie om op de avond vóór een groot hardloopevenement bijeen te komen om pasta te eten, een enorme bron aan koolhydraten die met name marathonlopers de volgende dag nodig hebben. Zo ook hier op Spitsbergen. Ik loop maar de halve, maar ik neem natuurlijk geen genoegen met een half bord pasta. Ik proef vier van de vijf soorten pasta en laad een tweede bord vol met alle toetjes die er liggen: carrot cake, appelgebak en chocolade- en aardbeienmousse.
De pastaparty vindt plaats buiten de stad, in Camp Barentz, midden op de vlakte. Niet in de ijsbeervrije zone dus. We worden begeleid naar de etenstent. Naar de wc gaan mag nog net zelf, maar verder afdwalen is streng verboden.
Behalve een hoop pasta krijgen we vanavond onze startnummers. En een loopshirt, natuurlijk met een ijsbeer erop. De wedstrijd komt nu echt dichtbij…

Race day!

Zaterdag 1 juni. De halve marathon, mijn afstand, begint pas om half twaalf, maar het is prettig om ruim van tevoren (veel) te ontbijten, zodat ik tijdens het lopen geen last krijg van mijn spijsvertering. En door vroeg op te staan, kan ik ook de marathonlopers nog zien, succes wensen, zelfs even bij hun start gaan kijken. Ik zie daar ook onze ijsbeerbeveiligers (“Isbjørnvakt”), mannen met geweren op quads, zich klaarmaken voor de dag, en ik laat me op de “expo” verleiden om nog een trainingsjasje te kopen. Commercieel gezien zijn de kledingtwijfels van die Nederlanders best handig.
Lange thermomouwen of toch korte? Dik of dun shirt? Dat trainingsjasje of toch het lelijke windjack van Decathlon dat ik heb meegenomen? Het wordt een dikke hardlooplegging, een thermoshirt met korte mouwen, een wat dikker shirt met lange mouwen en het nieuwe jasje. En handschoenen, een muts, dikke hardloopsokken en gewone loopschoenen. Achteraf kan ik vertellen: dat is precies goed voor 1 of 2 graden boven 0 met een fikse wind.

Mijn hotel bevindt zich 100 meter van de start en er zijn ongeveer 200 halvemarathonlopers. Een kwartier voor aanvang van de wedstrijd richting start gaan lopen is dus ruim voldoende. We blijven lekker warm in de sporthal naast de start staan tot een paar minuten voor de start: zo koelen we niet te veel af.
Het startschot klinkt. Ik loop meteen lekker. Natúúrlijk loop ik meteen lekker: de eerste twee kilometers gaan bergaf, met nog geen noemenswaardige wind. Beetje warm wel, heb ik niet te veel aan? Beneden bij de fjord slaan we rechtsaf, de ijzige vlakte op. Wind tegen. Nee, ik heb niet te veel aan. Gelukkig ook niet te weinig.
Kilometer 2-6 is bikkelen. Een open vlakte, dus geen beschutting tegen de wind, maar o-o-o, wat is het mooi! Mijn telefoon en mijn muziek vinden het allemaal iets minder leuk en besluiten ermee op te houden (gelukkig bleef de gps op mijn telefoon doorlopen). Geen Into The Wild-soundtrack meer, en dat vind ik nou juist zo’n mooie sfeermuziek…

De eerste hardlopers komen mij alweer tegemoet en even later kom ik ook bij het keerpunt: vanaf nu is het vier kilometer wind mee. Nu kan ik pas echt van het uitzicht genieten, en bovendien weer even lekker doorlopen. Af en toe komt een bewaker voorbij op fiets of quad, maar de ijsberen blijven – gelukkig! – uit het zicht.
De omgeving is adembenemend. Ik voel me – zoals wel vaker de afgelopen dagen – de gelukkigste mens op aarde. Op deze manier kan ik eindeloos doorlopen.

Helaas gaat deze manier niet eindeloos door. Na het 10-km-bordje slaan we linksaf en lopen we weer door Longyearbyen. Het wat vervelende vals plat wordt gecompenseerd door de lokale bevolking, die ons in kleine groepjes staat toe te juichen en lawaai maakt voor tien. Via een brug komen we aan de andere kant van Longyearbyen. Ik zie een paar marathonlopers een heuvel afdalen en in tegenovergestelde richting op mijn pad komen: oké, dat komt er dus nog aan. Maar ik daal nu ook af, in de volle wetenschap dat er dus ergens tussen nu en het einde van deze lus flink gestegen zal moeten worden.
Eerst nog een paar kilometer wind mee, richting de luchthaven. Rechts de fjord, links een heuvel waar een oude kolenlift het decor afmaakt. Een verzorgingspost, waar iedereen, in tegenstelling tot in Nederland, de leeggedronken bekertjes en de bananenschillen netjes in de prullenbak mikt – je zou niet anders dúrven in dit prachtige landschap.

Toen ik een paar jaar geleden voor het eerst de halve marathon liep op de CPC, spraken mijn broer en ik achteraf over de “Hel van Scheveningen”. Waar gaat het dan over? Over het stuk vals plat langs de boulevard, rond de 16-17 kilometer. De volgende keer dat ik de CPC loop, zal ik op dat punt terugdenken aan hetzelfde kilometerpunt hier op Spitsbergen. Dát is pas een hel.
Er is wederom een keerpunt, dus we krijgen weer wind tegen. Maar dat niet alleen: ook de reeds verwachte klim begint hier. Het pad verandert van asfalt in grind. Om me heen beginnen mensen te wandelen. Ik ben vooral blij dat ik al voor de wedstrijd mijn voornemen om een goede tijd neer te zetten heb laten varen. Voor mij is dit een “fun run”, maar hier op de berg is het allemaal niet zo’n fun meer.
Dit soort momenten tijdens de race zijn moordend: de momenten waarop ik me afvraag waar ik ook alweer mee bezig ben, of het wel zo’n goed idee was om me in te schrijven voor de marathon van Athene, waar het hoogteprofiel ook niet mals is, of ik hardlopen überhaupt wel leuk vind. Me daar overheen zetten, dat is een kunst die ik nog niet helemaal meester ben. Maar uiteindelijk weet ik wel dat ik met elke stap een meter dichter bij de finish ben, dat ik straks met voldoening terugkijk op ook dit stuk van de race. Ik overtuig mezelf om niet te gaan wandelen, hoewel dat achteraf gezien misschien sneller was geweest.

Aan elke beproeving komt een eind. Ook aan deze, al hoopte ik dat het einde al een paar valse toppen eerder was. Maar rond de 19,5 kilometer is deze klim echt gedaan. Het stuk dat ik de marathonlopers eerder had zien doen, is nu voor mij – een weldaad voor de vermoeide benen. Ik probeer nog even blij te kijken naar Jill, de fotografe van Arctic Marathon, en begin aan het laatste stuk omhoog naar de finish.
Een eindsprint zit er niet meer in. Vlak voor de finish word ik nog ingehaald door twee dames die – helaas voor mij – in dezelfde leeftijdsklasse zitten als ik, waardoor ik genoegen moet nemen met een achtste plek in een tijd van 2.08.12. Mijn langzaamste halve marathon ooit. Een van de dames was een Arctic-Marathon-loper, waardoor de twee als ijsberen verklede reisbegeleiders al met haar mee over de finish renden en geen tijd hadden voor mij. Gelukkig waren ze een aantal minuten later wel bereid om de finish met mij over te doen. (Alles voor de foto…)

Een douche en schone kleren: weer ben ik blij met mijn luxe hotelkamer. De middag breng ik door in de lobby. Ik doe een poging in mijn dagboek te schrijven, maar praat vooral met de andere lopers. De meesten hebben trots hun medaille om hun nek hangen – een groot en zwaar plakkaat in de vorm van een ijsbeerkop. De laatste heuvel neemt in de loop van de gesprekken legendarische proporties aan. Nog even en we denken allemaal dat we Mount Everest bedwongen hebben.

De dag sluiten we af met een diner in de sporthal. Daar worden ook de prijzen uitgereikt: de nummers 1, 2 en 3 uit iedere leeftijdscategorie op iedere afstand krijgen een broodplank met daarop de afbeelding van een ijsbeer en de coördinaten van de wedstrijd. We proosten op het feit dat iedereen van de groep zijn of haar afstand heeft uitgelopen. Bier en wijn vloeien rijkelijk. We praten over hardloopavonturen die we al beleefd hebben en dingen die we nog van plan zijn. Dat is een van de leuke dingen aan een reis met andere hardlopers: of je nu praat met ervaren marathonlopers of debutanten, met ultrarunners of supporters, iedereen heeft inspirerende verhalen te vertellen. Zo wordt mijn wensenlijst alleen maar langer in plaats van korter!

Arctic Naked Bathing Club

Zondag 2 juni. Een aantal lopers wilde gisteravond na het diner nog doorfeesten in het café, maar ik ben blij dat ik me er niet bij heb aangesloten. Er staat voor vanochtend namelijk iets bijzonders op het programma: een duik in de Noordelijke IJszee.

Er zijn niet veel mensen die van plan zijn het koude zeewater te trotseren: we zitten met een man of 14 in het minibusje naar de camping van Longyearbyen. Ja, Longyearbyen is een camping rijk. Sterker nog, dit was de eerste toeristische voorziening die op het eiland is gemaakt. In de jaren ‘70, toen de luchthaven was gebouwd en er dus gemakkelijker mensen van buitenaf naar Spitsbergen konden komen, hadden de lokale bewoners niet zoveel trek in buitenlanders in hun stad, dus stuurden ze iedereen naar een camping tegenover de luchthaven. Telefoon erbij, en je kon naar de stad bellen om de rekening te krijgen. Gelukkig zijn ze in de jaren erna wat gastvrijer geworden, maar de camping is er nog steeds en wordt beheerd door Michelle van Dijk, een geboren Westlandse die sinds 15 jaar op Spitsbergen woont. Zij is ook de persoon achter de Arctic Naked Bathing Club.

Om lid te worden van de Arctic Naked Bathing Club moet je precies dat doen: naakt zwemmen. Badkleding is verboden. Het zwemmen wordt wel maar een korte duik, want uitgebreid meters maken is bij een watertemperatuur van 4 graden niet echt verantwoord. En geloof me: dat wil je ook niet.
Met een hoop gepiep en gejammer en een ademhaling die zich niet meer laat reguleren – echt het meest charmante moment van mijn leven – ga ik één keer kopje onder en klauter daarna zo snel mogelijk weer uit het water. Een Nieuwjaarsduik is hier niets bij. We krijgen een bekertje aquavit om op te warmen en schieten weer in onze kleren. In het keukentje van de camping worden we pas weer echt warm met een beker warme chocolademelk.

Een prestatie als deze moet beloond worden. We krijgen allemaal een certificaat van ons lidmaatschap bij de club en een reep Tony’s Chocolonely (of, volgens De Speld: Tonnie, het eenzame stukje chocola). Nooit gedacht dat ik díé nog zou vinden in het noordpoolgebied. We praten nog wat over het leven op Spitsbergen, de honden van Michelle die alleen zouden moeten blaffen wanneer er ijsberen in de buurt zijn – eentje moet het nog leren, die blaft nu op alles – en het boek dat Michelle geschreven heeft over Sjef van Dongen, een Nederlandse poolheld uit de jaren ‘20 van de vorige eeuw, toen leven op Spitsbergen nog óverleven was. De ontdekkingsreizen in het poolgebied waren nog in volle gang, en daar stortte wel eens een zeppelin bij neer. Sjef ging met zijn hondenslee op zoek naar overlevenden.

Terug naar huis

De laatste uren op Spitsbergen breken aan. Een reisgenoot kondigt aan dat hij graag nog een walvisburger wil eten en daar ben ik ook wel voor in. Ecologisch totaal niet verantwoord: er mag alleen nog maar op walvissen gejaagd worden voor wetenschappelijke doeleinden, maar laat ik voor de gelegenheid het proeven van een onbekend stuk vlees maar als wetenschap bestempelen.

Rond een uur of 6 zit de reis er toch echt op: we verlaten het eiland. In het vliegtuig krijgen we allemaal nog een certificaat van de race gisteren. Bij sommigen is er een houten onderzetter met een ijsbeer in de envelop bijgestopt, maar ik kan de logica hierachter niet ontwaren.

Al met al ga ik een enorme ervaring rijker naar huis. Een ervaring die er nooit was geweest zonder Arctic Marathon. De reis was tot in de puntjes verzorgd, van de voorpret tot binnenkort de foto’s gemaakt door hun eigen fotografen. En het enthousiasme waarmee zij alles regelden, straalde ook af op de rest van de groep.
Volgend jaar nog een keer? Nee, dat niet, daarvoor wil ik nog te veel andere dingen doen. Maar mocht Arctic Marathon uitbreiden en ook naar andere locaties gaan, dan houd ik me aanbevolen. En voor degenen die ook wel eens naar Spitsbergen zouden willen: de inschrijving voor 2020 is al geopend! (Ook aan te bevelen voor niet-hardlopers: de tijdlimiet voor de halve marathon is 4,5 uur en die voor 10 km 2 uur en 45 minuten: dat kun je dus wandelen.)


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *